Artwork for podcast Middernachtarchief
De witte wolf van het Harzgebergte
Episode 130th November 2025 • Middernachtarchief • K.R. Valgaeren
00:00:00 00:54:06

Share Episode

Shownotes

'De Witte Wolf van het Harzgebergte' is een meeslepend verhaal waarin een misdadiger tracht een nieuw leven te beginnen in de desolate bergen van Duitsland, maar al snel wordt hij geconfronteerd met een vrouw wiens duistere geheimen haar stiefkinderen doen sidderen van angst.

In deze eerste aflevering van het Middernachtarchief neemt auteur K.R. Valgaeren u mee in de duistere wereld van Captain Frederick Marryat’s Gothic verhalen. Terwijl de klok middernacht slaat, nodigt Valgaeren de luisteraar uit om een bezoek te brengen aan het Middernachtarchief, een depot vol mysterieuze en angstaanjagende verhalen. Dus, leun achterover, geef je over aan de nacht en ontdek wat er zich afspeelt diep in het Harzgebergte.

Links referenced in this episode:

Transcripts

Speaker A:

In de desolate wildernis van de Duitse bergen tracht een misdadiger een nieuw leven te starten.

Speaker A:

Daar ontmoet hij een vrouw met een geheim zo duister dat zelfs haar stiefkinderen haar vrezen.

Speaker A:

het boek The Phantom Ship uit:

Speaker A:

Toen ik een tiener was, was dit een van mijn favoriete griezelverhalen.

Speaker A:

Veel later leerde ik The Phantom Ship kennen, een boek over de legende van de Vliegende Hollander en een inspiratie voor mijn eigen gothic novel Blackwell.

Speaker A:

Welkom in het Middernachtarchief.

Speaker A:

Dwaal met me mee door het Middernachtarchief, waar ik mijn favoriete griezelverhalen voor u bewaar.

Speaker A:

Ik ben K.R.

Speaker A:

Valgaren, auteur van onder andere de gothic novels De Ziener, Blackwell, Engelenlust en Salve Mater.

Speaker A:

In deze podcast lees ik u iedere maand een klassiek verhaal uit de Griezel-literatuur voor.

Speaker A:

Het is middernacht.

Speaker A:

Tijd voor De Witte Wolf van het Harsgebergte, van Frederick Marriott.

Speaker A:

Voor de middag waren Philip en Kranz aan boord gegaan en met hun boot vertrokken.

Speaker A:

Het sturen kostte geen moeite.

Speaker A:

Overdag waren de eilanden en s'nachts de heldere sterren hun kompas.

Speaker A:

Zij volgden eigenlijk niet de kortste weg, maar wel de meer veilige.

Speaker A:

Zij zochten kalm water en stuurden meer noord dan westwaards.

Speaker A:

Dikwijls werden zij achtervolgd door de Malaise prouwen, die de eilanden onveilig maakten, maar de snelheid van hun boot was hun redding.

Speaker A:

Zodra de zeerovers zagen hoe klein het scheepje was, gaven zij de jacht op, want zij verwachten niet dat er eniger lei buiten te behalen viel.

Speaker A:

Op een morgen, toen zij tussen de eilanden voeren, met wat minder wind dan gewoonlijk, zei Philip, Krans, je zei dat er gebeurtenissen in jouw leven zijn geweest, of in verband hiermee, die het geheimzinnige verhaal dat ik je toevertrouwde zouden bevestigen.

Speaker A:

Zou je me nu willen vertellen waarop je doelde?

Speaker A:

Zeker, antwoordde Krans.

Speaker A:

Ik was het al zo lang van plan, maar door de omstandigheden is het er nooit van gekomen.

Speaker A:

Nu is dit een geschikte gelegenheid.

Speaker A:

Maak je daarom gereed om naar een vreemd verhaal te luisteren, bijna net zo vreemd misschien als dat van jou.

Speaker A:

Je hebt natuurlijk wel eens over de harshoren spreken, zei Krans.

Speaker A:

Voor zover ik me kan herinneren heb ik er nog nooit iemand over horen spreken, antwoordde Philip.

Speaker A:

Maar ik heb er in een boek over gelezen en over de vreemde dingen die er gebeurd zijn.

Speaker A:

Het is wat men noemt een woeste streek, zei Kranz.

Speaker A:

En er worden veel wonderlijke verhalen over verteld, maar hoe vreemd ze ook zijn, ik heb alle reden om te geloven dat ze waar zijn.

Speaker A:

Mijn vader was niet geboren in het Hartsgebergte en woonde daar aanvankelijk ook niet.

Speaker A:

Hij was de slaaf van een Hongaarse edelman die grote bezittingen had in Transylvanië.

Speaker A:

Maar hoewel hij slaaf was, was hij helemaal geen arm of ongeletterd man.

Speaker A:

Hij was inderdaad rijk en hij was zo verstandig en fatsoenlijk dat zijn heer hem tot rentemeester benoemde.

Speaker A:

Maar wie toevallig als slaaf geboren is, moet ook slaaf blijven, zelfs al wordt hij schatrijk.

Speaker A:

En met mijn vader was dat ook het geval.

Speaker A:

Hij was ongeveer vijf jaar getrouwd en kreeg drie kinderen.

Speaker A:

Mijn oudste broer Cesar, mijzelf, Herman en een zuster, Marcella genaamd.

Speaker A:

Je weet misschien, Philip, dat er in dat land nog Latijn wordt gesproken.

Speaker A:

Dat verklaart onze hoogdravende namen.

Speaker A:

Mijn moeder was een heel mooie vrouw, maar ongelukkig genoeg niet bepaald deugdzaam.

Speaker A:

De heer van het land zag en bewonderde haar.

Speaker A:

Mijn vader werd weggestuurd met de een of andere opdracht.

Speaker A:

Mijn moeder was gevleid door de attenties van deze edelman en werd gewonnen door zijn aandringen, en gedurende mijn vaders afwezigheid gaf zij toe aan zijn wensen.

Speaker A:

Toevallig kwam mijn vader zeer onverwacht terug en ontdekte de amourette.

Speaker A:

Het bewijs voor mijn moeders schande was geleverd.

Speaker A:

Hij verraste haar in het bijzijn van haar verleider.

Speaker A:

Meegesleept door de heftigheid van zijn gevoelens wachtte hij tot zij weer een rendezvous hadden en vermoordde toen zowel zijn vrouw als haar verleider.

Speaker A:

Hij wist heel goed dat de wijze waarop hij was behandeld en niet als rechtvaardiging voor zijn handelswijze zou worden beschouwd, omdat hij slaaf was.

Speaker A:

Haastig verzamelde hij al het geld dat hij kon krijgen en daar het hartje winter was, spande hij zijn paarden voor de slede, nam zijn kinderen mee en vertrok in het holst van de nacht.

Speaker A:

Hij was er zich van bewust dat hij achtervolgd zou worden en dat hij geen kans had om te ontsnappen, als hij in zijn geboorteland bleef waar het gerecht hem kon achterhalen.

Speaker A:

Hij zette dus zijn vlucht zonder onderbreking voort, totdat hij zich geheel kon schuilhouden in de eenzaamheid van het Harsgebergte.

Speaker A:

Alles wat ik je nu vertel heb ik natuurlijk pas later gehoord.

Speaker A:

Mijn oudste herinneringen zijn verbonden aan een eenvoudig maar toch riefelijk huisje waar ik woonde met mijn vader, broer en zuster.

Speaker A:

Het lag op de grens van een van die uitgestrekte wouden die het noorderlijk deel van Duitsland bedekken.

Speaker A:

Om het huis lag een stuk grond dat mijn vader in de zomermaanden bebouwde en, ofschoon de oogst die het opleverde, niet erg groot was, was het voldoende voor onze behoefte.

Speaker A:

In de winter bleven wij veel in huis, want als mijn vader op jacht ging, bleven wij alleen achter en in dat seizoen zwierven de wolven voortdurend rond.

Speaker A:

Mijn vader had het huisje en het land eromheen gekocht van een van de ruwe bosbewoners.

Speaker A:

Deze voorzienen hun levensonderhoud gedeeltelijk door de jacht en gedeeltelijk door houtskool te branden om het erts uit de naburige mijnen te smelten.

Speaker A:

Het lag drie kilometer verwijderd van welke andere woning ook.

Speaker A:

Ik kan me nu het hele landschap weer voor de geest halen.

Speaker A:

De hoge dennenbomen die zich verhieven op de berg boven ons en het wijde uitgestrekte bos onder ons.

Speaker A:

Vanuit ons huisje keken wij neer op de toppen van die bomen, terwijl de berg stijl daalde naar het afgelegen dal.

Speaker A:

In de zomer was het uitzicht prachtig, maar gedurende de strenge winter kon je je nauwelijks een desolaterschouwspel voorstellen.

Speaker A:

Swinters ging mijn vader vaak op jacht.

Speaker A:

Iedere dag liet hij ons alleen en dikwijls deed hij de deur op slot, zodat wij het huis niet konden verlaten.

Speaker A:

Hij had niemand om hem te helpen of om op ons te passen.

Speaker A:

Het was inderdaad niet gemakkelijk om een vrouwelijke bediende te vinden die in zo'n eenzaamheid zou willen leven.

Speaker A:

Maar, zo hij er één had kunnen vinden, dan had mijn vader haar toch niet willen hebben.

Speaker A:

want hij had een afschuw van vrouwen gekregen, zoals ook wel duidelijk bleek uit het verschil waarmee hij ons, zijn twee jongens, en mijn arme kleine zusje, Marcella, behandelde.

Speaker A:

Je begrijpt wel dat wij op een droevige manier verwaarloost werden.

Speaker A:

We leden inderdaad zeer, want mijn vader, bevreesd dat ons iets kwaad zou overkomen, stond niet toe dat er zich brandstof in het huis bevond als hij weg was.

Speaker A:

We moesten daarom onder de hoop berenhuiden kruipen en ons daar zo goed mogelijk warm houden, totdat hij s'avonds thuis kwam, en dan pas genoten we van een helder brandend vuur.

Speaker A:

Je verbaasde er misschien over dat mijn vader dit rusteloze leven verkoos, maar hij kon niet kalm thuis blijven.

Speaker A:

Hij was nooit gelukkig, tenzij hij ergens mee bezig was.

Speaker A:

Waarschijnlijk als gevolg van het brauw dat hij een moord had begaan.

Speaker A:

of van zijn veranderde levensomstandigheden.

Speaker A:

Kinderen echter, die zozeer aan zichzelf worden overgelaten, krijgen al gauw iets ouwelijks.

Speaker A:

Zo ging het ook met ons.

Speaker A:

Gedurende de lange koude winterdagen zaten we zwijgend te verlangen naar de gelukkige uren, als de sneeuw zou smelten, de knoppen zouden openbarsten en de vogels zouden gaan zingen, wanneer we weer vrij zouden zijn.

Speaker A:

Zo was ons eigenaardig wild bestaan.

Speaker A:

Totdat mijn broer César negen en ikzelf zeven en mijn zusje vijf jaar oud was.

Speaker A:

Toen gebeurde er iets waarop het vreemde verhaal dat ik je nu zal vertellen is gebaseerd.

Speaker A:

Op een avond kwam mijn vader wat later thuis dan gewoonlijk.

Speaker A:

Hij had niets geschoten.

Speaker A:

Het was heel koud en de sneeuw lag hoog.

Speaker A:

Hij had het niet alleen koud, maar hij was ook in een bar slecht humeur.

Speaker A:

Hij had hout binnengebracht en wij hielpen alle drie met het aanmaken van het vuur totdat hij de arme kleine Marcella bij de arm greep en ruw opzij duwde.

Speaker A:

Het kind viel op haar mondje en bloedde hevig.

Speaker A:

Mijn broer liep naar haar toe om haar op te beuren.

Speaker A:

Omdat ze bang was voor mijn vader en gewoonlijk slecht behandeld werd, durfde zij niet te huilen.

Speaker A:

Ze keek hem alleen maar bedroefd aan.

Speaker A:

Mijn vader trok zijn kruk dichter bij de haard, mompelde iets lelijks over vrouwen en hield zich weer bezig met het vuur dat mijn broer en ik in de steek hadden gelaten, toen ons zusje zo kwalijk bejegend werd.

Speaker A:

Een helder brandend vuur was al spoedig het resultaat van zijn inspanningen, maar wij schaarden ons niet als gewoonlijk eromheen.

Speaker A:

Marcella, die nog steeds bloedde, hield zich schuil in een hoekje, en mijn broer en ik gingen naast haar zitten, terwijl mijn vader dicht bij de haard zat, somber en eenzaam.

Speaker A:

Zo hadden we ongeveer een half uur gezeten, toen we het gehuil van een wolf vlak onder het raam van ons huisje hoorden.

Speaker A:

Mijn vader stond dadelijk op en greep zijn geweer.

Speaker A:

Het huilen herhaalde zich.

Speaker A:

Hij keek of het geweer geladen was, verlie toen het huis en sloot de deur achter zich.

Speaker A:

Wij zaten alle drie angstig luisterend te wachten, want we dachten dat hij in een beter humeur zou terugkomen als hij erin slaagde de wolf te doden.

Speaker A:

Of schoon hij hard was voor ons, en vooral voor ons zusje, hielden wij toch wel van hem en vonden het prettig als hij vrolijk en gelukkig was.

Speaker A:

Wat bezaten wij verder in de wereld?

Speaker A:

En ik kan er meteen bij zeggen dat er misschien nooit drie kinderen op de wereld zijn geweest die meer van elkaar hielden.

Speaker A:

We kibbelden nooit, zoals andere kinderen.

Speaker A:

En als mijn oudste broer en ik soms eens ruzie hadden, dan kwam de kleine Marcella naar ons toe en met een kus stichtte ze weer vrede tussen ons.

Speaker A:

Marcella was een lief, aanvallig kind.

Speaker A:

Ik kan mij haar mooie gezichtje zelfs nu nog duidelijk herinneren.

Speaker A:

Helaas.

Speaker A:

Arme, kleine Marcella.

Speaker A:

Is ze dood?

Speaker A:

Vroeg Philip.

Speaker A:

Jazeker, dood.

Speaker A:

En zoals ze is gestorven.

Speaker A:

Maar laat ik niet op mijn verhaal vooruitlopen, Philip.

Speaker A:

Ik ga verder.

Speaker A:

We wachten een poosje, maar we hoorden het geweer niet afgaan en toen zei mijn oudste broer, vader is de wolf gevolgd en zal nog wel niet gauw terugkomen, Marcella.

Speaker A:

We zullen het bloed van je mondje vegen en dan gaan we bij de haard zitten om ons te warmen.

Speaker A:

Wij zaten daar tot even voor twaalf en vroegen ons al dooraf waarom vader niet terugkwam.

Speaker A:

Wij begrepen niet dat hij in gevaar kon verkeren, maar we dachten dat hij de wolf al die tijd najocht.

Speaker A:

Ik ga eens kijken of vader er al aankomt, zei mijn broer Cesar, terwijl hij naar de deur liep.

Speaker A:

Pas op, zei Marcella, de wolven zwerven nu rond en wij kunnen ze niet doden.

Speaker A:

Mijn broer opende de deur heel voorzichtig, slechts een paar centimeter, en duurde naar buiten.

Speaker A:

Ik zie niets, zei hij na een poosje, en kwam weer bij de haard zitten.

Speaker A:

Wij hebben nog geen eten gehad, zei ik, want mijn vader maakte gewoonlijk het eten klaar als hij thuiskwam.

Speaker A:

Als hij weg was, kregen we alleen maar de kliekjes van de vorige dag.

Speaker A:

En als vader na de jacht thuiskomt, Caesar, zei Marcella, zal hij wel graag willen eten.

Speaker A:

Laten we voor hem en voor onszelf iets klaarmaken.

Speaker A:

Caesar klom op de kruk en haalde wat vlees van de plank.

Speaker A:

Ik ben vergeten of het herten- of berenvlees was, maar we sneden de gewone hoeveelheid af en begonnen het klaar te maken, zoals we het onder vaders toezicht ook deden.

Speaker A:

Wij waren druk bezig alles op de schalen te leggen voor de haard en wachten zijn komst af, toen we horendgeschal hoorden.

Speaker A:

We luisterden.

Speaker A:

Er was enig gerucht buiten en even later kwam mijn vader binnen, gevolgd door een jonge vrouw en een grote donkere man in jachtkostuum.

Speaker A:

Misschien kan ik beter nu vertellen wat ik pas jaren later te weten kwam.

Speaker A:

Toen mijn vader het huis verliet, zag hij een grote witte wolf in, ongeveer dertig meter voor zich uit.

Speaker A:

Zodra het dier mijn vader zag, liep het langzaam achteruit, grommend en grauwend.

Speaker A:

Mijn vader ging het achterna.

Speaker A:

Het tier liep niet hard, maar bleef altijd op enige afstand.

Speaker A:

Vader wilde niet vuren, voordat hij tamelijk zeker wist dat de kogel doel zou treffen.

Speaker A:

Zo gingen zij een tijdje door.

Speaker A:

Nu eens liet de wolvin mijn vader ver achter zich, dan weer stond zij grommend stil.

Speaker A:

Maar als mijn vader dichterbij kwam, rende zij weer weg.

Speaker A:

Hij wilde het dier erg graag schieten, want een witte wolf is zeer zeldzaam.

Speaker A:

Mijn vader zette de achtervolging enige uren voort, waarbij hij steeds verder de berg beklom.

Speaker A:

Nu moet je weten dat er eigenaardige plekken in die bergen zijn, waarvan beweerd wordt dat ze door boze geesten worden bewoond.

Speaker A:

Ze zijn bekend bij de jagers, die ze altijd mijden.

Speaker A:

Een open ruimte in het dennenbos boven ons stond om die reden als gevaarlijk bekend.

Speaker A:

Twee dingen zijn mogelijk.

Speaker A:

Of hij hechtte geen geloof aan deze vreemde verhalen, of hij sloeg er geen acht op in het vuur van de jacht.

Speaker A:

Het is echter zeker dat de witte wolvin hem naar deze open plek lokte, want daar begon zij langzaam te lopen.

Speaker A:

Mijn vader kwam tot vlak bij haar, hief zijn geweer naar zijn schouder en stond op punt te vuren, toen de wolvin plotseling verdween.

Speaker A:

Hij dacht dat de sneeuw op de grond zijn oog had verblind en hij liet zijn geweer zakken om naar het dier te zoeken, maar het was verdwenen.

Speaker A:

Hoe het over die open plek ontsnapt kon zijn, zonder dat hij het gezien had, begreep hij niet.

Speaker A:

Zeer teleurgesteld dat hij de wolvin niet had kunnen doden, wilde hij juist teruggaan, toen hij in de verte het geluid van een horen hoorde.

Speaker A:

Hij was zo verbaasd dit geluid op dit uur van de dag te horen in zulke wildernis, dat hij als aan de grond genageld bleef staan.

Speaker A:

Even later hoorde hij de horen nogmaals, maar wel veel dichterbij.

Speaker A:

Mijn vader stond stil en luisterde.

Speaker A:

Toen werd er voor de derde keer op de horen geblazen.

Speaker A:

Ik ben het woord vergeten dat daar altijd voor gebruikt wordt, maar mijn vader wist dat dit teken te kennen gaf dat het gezelschap in het bos was verdwaald.

Speaker A:

Een paar minuten later zag mijn vader een man te paard met een vrouw die achter hem was gezeten de open plek binnenrijden.

Speaker A:

Eerst dacht mijn vader aan de vreemde verhalen over de bovennatuurlijke wezens die, naar mijn zicht, deze bergen bewonen.

Speaker A:

Maar toen ze dichterbij kwamen, zag hij dat het gewone mensen waren, net als hij zelf.

Speaker A:

Zodra zij vlak bij hem waren, sprak de man hem aan.

Speaker A:

Vriend jager, jij bent nog laat buiten.

Speaker A:

Het is te beter voor ons.

Speaker A:

Wij hebben ver gereden en vrezen voor ons leven, want men zoekt ons.

Speaker A:

In deze bergen hebben wij aan onze achtervolgers kunnen ontsnappen, maar het zal ons weinig baden als wij geen schuilplaats en eten vinden.

Speaker A:

Dan moeten wij immers sterven van honger en de barre koude.

Speaker A:

Mijn dochter, die achter mij zit, is meer dood dan levend.

Speaker A:

Kunt u ons helpen in onze ellende?

Speaker A:

Mijn huisje ligt niet zo ver hier vandaan, antwoordde mijn vader.

Speaker A:

Maar ik kan u weinig aanbieden, behalve een beschutting tegen het weer.

Speaker A:

U zijt welkom in mijn moning.

Speaker A:

Mag ik u vragen waar u vandaan komt?

Speaker A:

Ja, vriend.

Speaker A:

Het is nu geen geheim meer.

Speaker A:

Wij zijn uit Transylvanië ontsnapt, waar de eer van mijn dochter en mijn leven in gevaar waren.

Speaker A:

Deze mededeling was genoeg om enige belangstelling bij mijn vader te wekken.

Speaker A:

Hij herinnerde zich zijn eigen ontsnapping.

Speaker A:

Hij dacht eraan hoe zijn vrouw haar eer verloor en aan de tragedie waarmee dit alles geëindigd was.

Speaker A:

Dadelijk en van ganser harte bood hij alle hulp aan waartoe hij in staat was.

Speaker A:

We hebben geen tijd te verliezen, zei de ruiter.

Speaker A:

Mijn dochter is geheel verkleumd en kan de strenge kou niet lang meer verdragen.

Speaker A:

Zij kwam tot onder het raam van mijn huis, anders zou ik op dit uur van de nacht niet buiten zijn.

Speaker A:

Het dier liep vlak langs ons, juist toen we uit het bos kwamen, zei de vrouw op zangerige toon.

Speaker A:

Ik had haast mijn geweer afgevuurd, zei de jager, maar nu ben ik blij dat ik het niet gedaan heb.

Speaker A:

Het dier heeft ons immers zo'n goede dienst bewezen.

Speaker A:

Het gezelschap kwam bij het huis aan nadat mijn vader ongeveer anderhalf uur stevig had doorgestapt en, zoals ik al zei, kwamen zij binnen.

Speaker A:

We komen blijkbaar net op tijd, merkte de donkere jager op.

Speaker A:

die het gebraden vlees rook terwijl hij naar de haard liep en mijn broer en zusje en mij bekeek.

Speaker A:

U heeft hier jonge koks heer.

Speaker A:

— Ik ben blij dat we niet behoeven te wachten, antwoordde mijn vader.

Speaker A:

Kom, mevrouw, ga bij de haard zitten en verwarm u na uw koude rit.

Speaker A:

Dat zal u ongetwijfeld goed doen.

Speaker A:

— En waar kan ik mijn paard stallen?

Speaker A:

vroeg de jager.

Speaker A:

— Daar zorg ik wel voor, antwoordde mijn vader terwijl hij de deur uitging.

Speaker A:

De vrouw moeten wij in het bijzonder beschrijven.

Speaker A:

Zij was jong, waarschijnlijk een jaar of twintig.

Speaker A:

Ze was gekleed in een reismantel met een brede rand van wit bond en een hermelijne kap op het hoofd.

Speaker A:

Ik vond haar heel mooi en mijn vader liet zich later ook in die geest uit.

Speaker A:

Zij had glanzend, flasblond haar en haar iets wat grote mond toonde prachtige tanden.

Speaker A:

Maar er was iets in haar heldere ogen waarvoor wij, kinderen, bang waren.

Speaker A:

In haar blik was iets ontwijkends, en ik zou niet kunnen uitleggen waarom, maar voor ons gevoel ook iets vreeds.

Speaker A:

Toen zij ons wenkte naderbij te komen, deden wij dat met angst en beven.

Speaker A:

En toch was ze zeer, zeer mooi.

Speaker A:

Ze sprak vriendelijk tegen mijn broertje en mij, tikte ons op de wang en streelde ons.

Speaker A:

Maar Marcella wilde niet dichterbij komen.

Speaker A:

Integendeel.

Speaker A:

Ze verborg zich in bed en wilde niet op het avondeten wachten, waar ze een half uur geleden zo naar verlangd had.

Speaker A:

Mijn vader, die het paard in het gesloten schuurtje had gezet, kwam spoedig terug en het avondeten werd op tafel gezet.

Speaker A:

Toen dit was afgelopen, vroeg mijn vader aan de jonge vrouw of zij in zijn bed wilde slapen.

Speaker A:

Dan zou hij met haar vader blijven opzitten bij de haard.

Speaker A:

Na enige aarzeling stemden zij hiermee in en mijn broertje en ik kropen in het andere bed bij Marcella, want wij hadden tot nu toe altijd samen geslapen.

Speaker A:

Maar we konden de slaap niet vatten.

Speaker A:

Vreemde mensen zien was voor ons al iets ongewoons, maar dat deze mensen nu ook nog in ons huis liepen, maakte ons geheel van streek.

Speaker A:

Arme kleine Marcella hield zich rustig, maar ik merkte dat ze de gehele nacht lag te trillen en soms meende ik dat zij ingehouden snikte.

Speaker A:

Mijn vader had wat sterke drank uit de kast gehaald, die hij zelden aansprak, en hij en de vreemde jager bleven drinken en praten voor het vuur.

Speaker A:

Onze nieuwsgierigheid was dusdanig opgewekt dat wij het zachtste gefluister nog konden horen.

Speaker A:

— U komt uit Transylvanië, niet waar?

Speaker A:

vroeg mijn vader.

Speaker A:

— Zeker, heer, antwoordde de jager.

Speaker A:

Ik was slaaf in een adelijke familie.

Speaker A:

Mijn meester wilde dat ik mijn mooie dochter aan hem schonk.

Speaker A:

Het eindigde ermee dat hij kennis maakte met mijn jachtmes.

Speaker A:

Dan zijn wij landgenoten en broeders in het ongeluk, antwoordde mijn vader, terwijl hij de hand van de jager greep en die hartelijk drukte.

Speaker A:

Zo?

Speaker A:

Komt u dan ook uit dat land?

Speaker A:

Ja, en ik ben ook voor mijn leven gevlucht.

Speaker A:

Dat is maar een droevige geschiedenis.

Speaker A:

Hoe heet u?

Speaker A:

vroeg de jager.

Speaker A:

Krant.

Speaker A:

Wat?

Speaker A:

Krans van...

Speaker A:

Ik ken uw geschiedenis.

Speaker A:

Het is niet nodig mij die te vertellen.

Speaker A:

Wees van harte welkom, mijn waardebloedverwand.

Speaker A:

Dan ben ik uw achterneef.

Speaker A:

Wilfred van Barnsdorf, riep de jager uit, terwijl hij opstond en mijn vader omhelstde.

Speaker A:

Zij vulde hun hoornen kroezen tot de rand en dronken elkaar doortoe op Duitse wijze.

Speaker A:

Het gesprek werd toen op zachte toon voortgezet.

Speaker A:

We konden eruit opmaken dat onze nieuwe bloedverwand en zijn dochter voorlopig hun intrek bij ons zouden nemen.

Speaker A:

Na ongeveer een uur leunden zij beide achterover in hun stoel en schenen te slapen.

Speaker A:

Heb je het gehoord, Marcella, zei mijn broer, verluisterend.

Speaker A:

Ja, antwoordde Marcella, ik hoorde alles.

Speaker A:

Ik durf die vrouw niet aan te kijken, ik ben zo bang.

Speaker A:

Mijn broer antwoordde niet en kort daarop waren we alle drie vast in slaap.

Speaker A:

Toen we de volgende morgen wakker werden, zagen wij dat de dochter van de jager voor ons was opgestaan.

Speaker A:

Ik vond haar mooier dan ooit.

Speaker A:

Ze kwam naar de kleine Marcella toe en streelde haar.

Speaker A:

Het kind barste in tranen uit en snikte alsof haar hartje zou breken.

Speaker A:

Maar ik wil je niet te lang ophouden.

Speaker A:

De jager en zijn dochter namen hun intrek bij ons.

Speaker A:

Mijn vader en hij gingen iedere dag op jacht en Christina bleef bij ons.

Speaker A:

Zij deed al het huishoudelijke werk en was heel lief voor ons en langzamerhand verminderde zelfs de afkeer van de kleine Marcella.

Speaker A:

Maar een grote verandering vond plaats bij mijn vader.

Speaker A:

Hij scheen zijn afkeer voor vrouwen te hebben overwonnen en was zeer atent voor Christina.

Speaker A:

Dikwijls als haar vader en wij in bed waren, bleef hij met haar opzitten en ze spraken zachtjes bij de haard.

Speaker A:

Ik had erbij moeten zeggen dat mijn vader en de jager Wilfred in een ander gedeelte van het huis liepen en dat het bed waarin hij vroeger lag en dat in dezelfde kamer stond als het onze, door Christina werd gebruikt.

Speaker A:

Op een avond, toen deze bezoekers ongeveer drie weken bij ons waren en toen wij naar bed waren gestuurd, werd er druk beraadslaagd.

Speaker A:

Mijn vader had Christina ten huwelijk gevraagd en had haar toestemming, en die van Wilfred, gekregen.

Speaker A:

Daarna had een gesprek plaats dat, voor zover ik me kan herinneren, als volgt luidde.

Speaker A:

U kunt mijn kind krijgen, heer Krans, met mijn zegen.

Speaker A:

Ik zal u verlaten en een andere woning zoeken.

Speaker A:

Het doet er niet toe waar.

Speaker A:

Waarom blijf je niet hier, Wilfred?

Speaker A:

Nee, nee, ik moet ergens anders heen.

Speaker A:

Laat je dit voldoende zijn en vraag niet meer.

Speaker A:

Jij krijgt mijn kind.

Speaker A:

Daarvoor dank ik u en ik zal haar in ere houden.

Speaker A:

Maar er is één moeilijkheid.

Speaker A:

Ik weet wat je zeggen wilt.

Speaker A:

Er is geen priester hier in dit woeste land en geen wet om het huwelijk te sluiten.

Speaker A:

Toch zou ik graag zien dat er een kleine plechtigheid plaatsvond.

Speaker A:

Wil je erin toestemmen haar op mijn manier te trouwen?

Speaker A:

Dan zal ik daar dadelijk toe overgaan." Zeker?" antwoordde mijn vader.

Speaker A:

Neem haar dan bij de hand en zweer." Ik zweer," herhaalde mijn vader.

Speaker A:

bij al de geesten van het harsgebergte?

Speaker A:

Nee, waarom niet bij God?

Speaker A:

viel mijn vader hem in de reden.

Speaker A:

Omdat ik daar niets voor voel, antwoordde Wilfred.

Speaker A:

Als ik de voorkeur geef aan deze eed, minder bindend misschien dan een andere, dan zul je daar toch zeker niets op tegen hebben.

Speaker A:

Nu, goed dan, doe zoals je wilt.

Speaker A:

Wil je mij laten zweren bij iets waarin ik niet geloof?

Speaker A:

Vele doen het, die naar de uiterlijke schijn Christen zijn, antwoordde Wilfred.

Speaker A:

Wil je haar trouwen, of zal ik haar weer meenemen?

Speaker A:

Ik ga verder, antwoordde mijn vader ongeduldig.

Speaker A:

Ik zweer bij alle geesten van het Hartsgebergte, bij al hun macht, ten goede of ten kwade, dat ik Christina neem tot echtgenote, dat ik haar altijd zal beschermen en liefhebben, dat ik mijn hand nooit tegen haar zal opheffen.

Speaker A:

Mijn vader herhaalde Wilfred's woorden.

Speaker A:

En als ik deze eed niet nakom, mogen dan de wraak van alle geesten op mij en mijn kinderen neerdalen.

Speaker A:

Mogen zij omkomen door de gier, de wolf of andere beesten van het woud.

Speaker A:

Mogen hun het vlees van het lichaam worden gescheurd en hun gebeenten verbleken in de wildernis.

Speaker A:

Dit alles zweer ik.

Speaker A:

Mijn vader aarzelde toen hij de laatste woorden herhaalde.

Speaker A:

De kleine Marcella kon zich niet bedwingen en toen mijn vader de laatste zin uitsprak, barstte zij in tranen uit.

Speaker A:

Deze laatste onderbreking scheen hen alle van hun stuk te brengen, vooral mijn vader.

Speaker A:

Hij sprak harde woorden tegen het kind, dat haar snikken bedwong en haar gezichtje in het beddegoed verborg.

Speaker A:

Zo was het tweede huwelijk van mijn vader.

Speaker A:

De volgende ochtend besteeg Wilfred zijn paard en reed weg.

Speaker A:

Mijn vader sliep in het bed dat in dezelfde kamer stond als het onze.

Speaker A:

Alles ging zijn gewone gang, zoals voor het huwelijk, behalve dat onze stiefmoeder niet erg aardig tegen ons was.

Speaker A:

Als mijn vader afwezig was, sloeg zij ons dekkels, vooral de kleine Marcella, en haar ogen schitterden als ze naar het mooie blonde kind keek.

Speaker A:

Op een nacht maakte mijn zusje mij en mijn broer wakker.

Speaker A:

—Wat is er?

Speaker A:

vroeg Caesar.

Speaker A:

—Ze is uitgegaan, fluisterde Marcella.

Speaker A:

Uitgegaan?

Speaker A:

Ja, de deur uitgegaan, in haar nachthemd, antwoordde het kind.

Speaker A:

Ik zag haar uit bed stappen, naar vader kijken om te zien of hij sliep, en toen ging ze de deur uit.

Speaker A:

We begrepen niet wat haar ertoe bracht uit bed te gaan en geheel ongekleed naar buiten te lopen in die bittere kou en met de hoogliggende sneeuw.

Speaker A:

We lagen wakker en na ongeveer een uur hoorden wij het grommen van een wolf, vlak onder het raam.

Speaker A:

— Daar is een wolf, zei Caesar.

Speaker A:

Zij wordt verscheurd.

Speaker A:

— O nee, riep Marcella uit.

Speaker A:

Na enige minuten kwam onze stiefmoeder terug.

Speaker A:

Zij was in haar nachthemd zoals Marcella had gezegd.

Speaker A:

Ze kwam geruisloos binnen, ging naar een emmer water en waste haar gezicht en handen en stapte toen weer in bed naast mijn vader.

Speaker A:

We wisten nauwelijks waarom we alle drie beefden, maar we besloten de volgende nacht wakker te blijven.

Speaker A:

Zo gezegd, zo gedaan, en niet alleen de volgende nacht, maar ook nog vele daarna, stond mijn stiefmoeder altijd op hetzelfde uur op en verliet het huis.

Speaker A:

Als zij weg was, hoorden wij altijd het grommen van een wolf onder het raam, en als ze terugkwam, wasten ze zich altijd voor zij weer naar bed ging.

Speaker A:

We werkten ook op dat zij zelden aan de maaltijden deelnam, en als zij dat wel deed, dan scheen het haar niet goed te smaken.

Speaker A:

Als we echter het vlees haalden om het klaar te maken voor ons middagmaal, stak ze dikwijls stiekem een rauw stuk vlees in haar mond.

Speaker A:

Mijn broer Cesar was een dappere jongen en hij wilde er niet met vader over praten voor hij meer wist.

Speaker A:

Hij besloot haar naar buiten te volgen om te zien wat zij deed.

Speaker A:

Marcella en ik probeerden hem van het plan af te brengen, maar hij wilde daar niet naar luisteren.

Speaker A:

De volgende nacht ging hij gekleed naar bed en zodra onze stiefmoeder het huis had verlaten sprong hij op, nam mijn vaders geweer en volgde haar.

Speaker A:

Je kunt je voorstellen in wat een ondraaglijke spanning Marcella en ik achterbleven.

Speaker A:

Enkele ogenblikken later hoorden wij een geweerschot.

Speaker A:

Mijn vader werd er niet wakker van, maar wij lagen ter rille van angst.

Speaker A:

Kort daarop kwam onze stiefmoeder het huis binnen.

Speaker A:

Haar kleding was met bloed bevlekt.

Speaker A:

Ik legde mijn hand op Marcella's mond om haar het schreeuwen te beletten, ofschoon ik zelf erg geschrokken was.

Speaker A:

Onze stiefmoeder liep naar het bed van mijn vader, keek of hij sliep en ging toe naar de haard om de gloeiende as nieuw leven in te blazen.

Speaker A:

— Wie is daar?

Speaker A:

zei mijn vader, die wakker werd.

Speaker A:

— Blijf maar rustig liggen, antwoordde mijn stiefmoeder.

Speaker A:

Ik ben het maar.

Speaker A:

Ik heb het vuur aangemaakt om het water warm te maken.

Speaker A:

Ik voelde me niet erg goed.

Speaker A:

Mijn vader keerde zich om en sliep spoedig weer in, maar wij keken naar onze stiefmoeder.

Speaker A:

Ze trok andere kleren aan en gooide het goed dat ze gedragen had op het vuur.

Speaker A:

Toen zagen wij dat haar rechterbeen hevig bloedde, als van een schotwond.

Speaker A:

Ze verbond het been, klede zich aan en bleef voor het vuur zitten tot het aanbreken van de dag.

Speaker A:

Het hartje van de arme kleine Marcella klopte hevig toen ze zich tegen mij aandrukte en het mijne ook.

Speaker A:

Waar was César?

Speaker A:

Mijn stiefmoeder kon slechts gewond zijn door zijn geweer.

Speaker A:

De lange leste stond mijn vader op en toen kon ik eindelijk iets zeggen.

Speaker A:

Vader, waar is César?

Speaker A:

Je broer, riep hij uit.

Speaker A:

Waar zou hij kunnen zijn?

Speaker A:

Genadige hemel, zei onze stiefmoeder.

Speaker A:

Ik kon vannacht niet erg goed slapen en toen dacht ik dat ik iemand de deur hoorde openen.

Speaker A:

En grote hemel, man, waar is je geweer gebleven?

Speaker A:

Mijn vader keek boven de schouw en zag dat zijn geweer weg was.

Speaker A:

Even keek hij zeer verwonderd.

Speaker A:

Toen greep hij een zware buil en zonder nog een woord te zeggen liep hij het huis uit.

Speaker A:

Hij bleef niet lang weg.

Speaker A:

Een paar minuten later kwam hij terug en troeg in zijn armen het vermengde lichaam van mijn arme broer.

Speaker A:

Hij legde het neer en spreidde een doek over het gezicht.

Speaker A:

Mijn stiefmoeder stond op en keek naar het lijkje, terwijl Marcella en ik ons snikkend op de grond wierpen.

Speaker A:

— Ga weer naar bed, kinderen, zei ze luid.

Speaker A:

— Man, vervolgde ze.

Speaker A:

— Je jongen heeft zeker het geweer genomen om een wolf te schieten, en die was sterker dan hij.

Speaker A:

— Arme jongen, hij heeft zijn roekeloosheid duur betaald.

Speaker A:

Mijn vader antwoordde niet.

Speaker A:

Ik wilde spreken, alles vertellen, maar Marcella, die zag wat ik van plan was, greed me bij de arm en keek me zo smekend aan dat ik er vanaf zag.

Speaker A:

Mijn vader bleef dus bij zijn misvatting, want of schoon Marcella en ik het niet geheel konden begrijpen, beseften wij toch dat onze stiefmoeder iets had uit te staan met de dood van mijn broer.

Speaker A:

Vader ging die dag naar buiten, groevend graf en toen hij het lijkje erin had gelegd stapelde hij er stenen bovenop, opdat de wolven het niet zouden kunnen opgraven.

Speaker A:

Dit ongeluk had hem zeer diep geschokt.

Speaker A:

Verscheidene dagen ging hij niet op jacht en zwoer dat hij zich zou wreken op de wolven.

Speaker A:

Gedurende deze periode van grote troefheid zette mijn stiefmoeder haar nachtelijke omzwervingen met dezelfde regelmaat voort.

Speaker A:

Eindelijk nam mijn vader zijn geweer weer ter hand om naar het bos te gaan.

Speaker A:

Maar al spoedig kwam hij woedend weer terug.

Speaker A:

Het is niet te geloven, Christina, maar de wolven hebben kans gezien het lichaam van mijn arme jongen op te graven en nu ligt er nog alleen maar zijn geraamte.

Speaker A:

Gods vloek over hen allen." Zo antwoordde mijn stiefmoeder.

Speaker A:

Marcella keek naar mij en in haar verstandige blik las ik alles wat ze had willen zeggen.

Speaker A:

Iedere nacht gromt er een wolf onder ons raam, vader, zei ik.

Speaker A:

Zo.

Speaker A:

Waarom heb je me dat niet eerder verteld, jongen?

Speaker A:

Maak me dadelijk wakker als je het weer hoort.

Speaker A:

Ik zag hoe mijn stiefmoeder zich afwendde, haar ogen scholten vuur en ze knarsen tanden.

Speaker A:

Vader ging weer naar buiten en bedekte wat er nog van mijn arme broer over was gebleven met een nog grotere stapel stenen.

Speaker A:

Dit was de eerste akte van het treurspel.

Speaker A:

Het werd nu lente, de sneeuw verdween en wij mochten weer het huis uit.

Speaker A:

Maar geen ogenblik liet ik mijn zusje alleen, aan wie ik mij nog inniger had gehecht, zeder te dood van mijn broer.

Speaker A:

Ik durfde haar niet alleen te laten met mijn stiefmoeder, die er een bijzonder genoegen in scheen te scheppen het kind slecht te behandelen.

Speaker A:

Mijn vader werkte nu op zijn boerderijtje en ik kon hem daarbij wat helpen.

Speaker A:

Marcella zat bij ons als wij aan het werk waren en mijn stiefmoeder bleef alleen thuis.

Speaker A:

Toen het volop lente werd, verminderde mijn stiefmoeder haar nachtelijke tochten en nadat ik het mijn vader had verteld, hoorden wij nooit meer het grommen van de wolf onder het raam.

Speaker A:

Eens, toen mijn vader en ik op het veld waren en Marcella bij ons was, kwam mijn stiefmoeder naar buiten en zei dat ze het bos in ging om wat kruiden te plukken, die mijn vader nodig had.

Speaker A:

Marcella moest thuis voor het eten zorgen.

Speaker A:

Zij ging weg en mijn stiefmoeder verdween al gauw in het bos, in een andere richting dan waar het huis stond, en liet mijn vader en mij, als het ware, achter op een plek tussen haar en Marcella.

Speaker A:

Ongeveer een uur later schrokken wij op door gegil uit het huis.

Speaker A:

Klaar blijkelijk de kreten van Marcella.

Speaker A:

Marcella heeft zich verbrand, vader, zei ik, en wierp mijn schop neer.

Speaker A:

Mijn vader gooide de zijnen ook neer en haastig liepen we naar huis.

Speaker A:

Voor we de deur bereikt hadden, rende een grote witte wolf naar buiten, die met grote snelheid vluchte.

Speaker A:

Mijn vader had geen geweer.

Speaker A:

Hij rende het huis binnen en vond daar Marcella, stervende.

Speaker A:

Haar lichaam was ontzettend vermengd en het bloed uit de wonden vormde een grote plas op de grond.

Speaker A:

De eerste ingeving van mijn vader was zijn geweer te grijpen en de wolf achterna te gaan, maar dit afschuwelijke schouwspel hield hem tegen.

Speaker A:

Hij knielde neer bij het stervende kind en barste insnikken uit.

Speaker A:

Marcella keek ons nog even aan en toen stierf zij.

Speaker A:

Mijn vader en ik zaten nog bij het lijken van mijn arme zusje toen mijn stiefmoeder binnenkwam.

Speaker A:

Ze was zeer begaan met wat er gebeurd was, maar ze schrok niet bij het zien van bloed zoals de meeste vrouwen zouden gedaan hebben.

Speaker A:

Arm kind, zei ze.

Speaker A:

Het is zeker die grote witte wolf geweest die me daar net voorbij rende en mijn zoon schrik aan jou.

Speaker A:

Zij is doodkrant.

Speaker A:

Ja, dat weet ik wel, riep mijn vader smartelijk uit.

Speaker A:

Ik dacht dat hij er nooit geheel bovenop zou komen na deze tweede tragedie.

Speaker A:

Hij weende bitter bij het lijkje van het lieve kind en wilde het dagenlang niet begraven, ofschoon mijn stiefmoeder hem dikwijls verzocht had te doen.

Speaker A:

Eindelijk gaf hij toe en maakte een graf voor haar dicht bij dat van mijn arme broer.

Speaker A:

Hij trof iedere voorzorgsmaatregel op dat de wolven het lijkje niet zouden schenden.

Speaker A:

Ik voelde me diep ongelukkig, alleen in het bed, dat ik vroeger gedeeld had met mijn broer en zuster.

Speaker A:

Ik vermoedde dat mijn stiefmoeder op de een of andere wijze iets met hun dood had te maken, al begreep ik niet hoe.

Speaker A:

Maar ik was niet langer bang voor haar.

Speaker A:

Mijn hart was alleen vol van haat en wraakgevoelens.

Speaker A:

De nachten nadat mijn zusje begraven was, lag ik wakker en bemerkte dat mijn stiefmoeder opstond en naar buiten ging.

Speaker A:

Na korte tijd kleed ik me aan en keek naar buiten door de halfopen deur.

Speaker A:

De maan scheen helder en de plek waar mijn broer en zuster begraven waren kon ik duidelijk zien.

Speaker A:

Hoe afschuwelijk toen ik zag dat mijn stiefmoeder bezig was de stenen van Marcellas graf eraf te halen.

Speaker A:

Zij was in haar witte nachthemd en de heldere maan bescheen haar.

Speaker A:

Zij groef met haar handen en wierp de stenen achter zich met de woestheid van een wilddier.

Speaker A:

Het duurde even voor ik tot bezinning kwam en tot een besluit kon komen.

Speaker A:

Wat zou ik doen?

Speaker A:

Eindelijk zag ik dat ze het lichaam bereikt had en dat zij het neerlegde op de rand van het graf.

Speaker A:

Toen kon ik het niet langer uithouden.

Speaker A:

Ik rende naar mijn vader en maakte hem wakker.

Speaker A:

Vader, vader, riep ik, kleed je aan en haal je geweer.

Speaker A:

Wat, schreeuwde mijn vader, zijn er wolven?

Speaker A:

Hij sprong uit bed en schoot zijn kleren aan en in zijn angst scheen hij de afwezigheid van zijn vrouw niet te bemerken.

Speaker A:

Zodra hij klaar was, opende ik de deur.

Speaker A:

Hij ging naar buiten en ik volgde hem.

Speaker A:

Daar hij niet voorbereid was op zo'n schouwspel, kon je zijn afgrijze voorstellen toen hij het graf naderde.

Speaker A:

Hij zag daar geen wolf, maar zijn eigen vrouw in haar nachthemd, gehurkt bij het lichaam van mijn zuster, terwijl ze grote stukken van het vlees afscheurde en verslond met de begerigheid van een wolf.

Speaker A:

Ze was te druk bezig om onze komst te bemerken.

Speaker A:

Mijn vader liet zijn geweer vallen.

Speaker A:

De haren rezen hem te bergen.

Speaker A:

Hij haalde zwaar adem en het scheen hem toe of zijn hart zou stilstaan.

Speaker A:

Ik kraapte het geweer op en gaf het hem weer terug.

Speaker A:

Plotseling leek het of zijn grote woede hem dubbele kracht gaf.

Speaker A:

Hij richtte zijn geweer, vuurde en met een luide gil viel het onmens dat hij tot zich had genomen neer.

Speaker A:

God in de hemel, riep mijn vader uit en viel flauw, toen hij zijn geweer had afgeschoten.

Speaker A:

Ik bleef bij hem tot hij weer bijkwam.

Speaker A:

Waar ben ik?

Speaker A:

zei hij.

Speaker A:

Wat is er gebeurd?

Speaker A:

Ja, ja, ik herinner het me.

Speaker A:

God vergeve het mij.

Speaker A:

Hij stond op en wij liepen naar het graf.

Speaker A:

Hoe groot was onze verbazing en afgrijze toen wij in plaats van het dode lichaam van mijn stiefmoeder, zoals wij verwachten, een grote grijze wolf in zagen liggen.

Speaker A:

— De Witte Wolf, riep mijn vader uit.

Speaker A:

De Witte Wolf, die mij het bos inlokte, nu begrijp ik alles.

Speaker A:

Het waren de geesten van het Harsgebergte.

Speaker A:

Enige tijd bleef mijn vader zwijgend in gedachten verzonken staan.

Speaker A:

Toen nam hij voorzichtig het lichaam van mijn zuster op, legde het weer in het graf en bedekte het als tevoren.

Speaker A:

Daarna trapte hij op de kop van het dode dier met de hak van zijn laars en ging tekeer als een krankzinnige.

Speaker A:

Hij liep naar ons huis terug, sloot de deur en wierp zich op het bed.

Speaker A:

Ik volgde zijn voorbeeld, want ik was door het gebeurde nog geheel versuft.

Speaker A:

Smorgens vroeg werden wij allebei wakker door een luid kloppen op de deur en Wilfred de jager kwam naar binnen gerend.

Speaker A:

— Mijn dochter, man, mijn dochter, waar is mijn dochter?

Speaker A:

— riep hij woedend uit.

Speaker A:

— Waar die duivelin behoort te zijn, denk ik, antwoordde mijn vader, die even woedend uit bed sprong.

Speaker A:

Waar ze thuis hoort, in de hel.

Speaker A:

Ga hier vandaan, of het zal je berouwen.

Speaker A:

— Haha, antwoordde de jager.

Speaker A:

Zou jij een machtige geest van het Harsgebergte willen kwaad doen?

Speaker A:

Arme sterveling, die met een wolvin moest trouwen.

Speaker A:

Ruid, duivel, ik tart u en uw macht.

Speaker A:

Toch zul je die ervaren.

Speaker A:

Denk aan je eet, je plechtige eet.

Speaker A:

Nooit je hand tegen haar op te heffen om haar te treffen.

Speaker A:

Ik sloot geen contract met kwade geesten.

Speaker A:

Dat deed je wel.

Speaker A:

En als ze je belofte niet zou nakomen, zouden die geesten zich op je wreken.

Speaker A:

Je kinderen zouden omkomen door de gier, de wolf, of...

Speaker A:

Eruit!

Speaker A:

Eruit, duivel!

Speaker A:

En hun gebeenten verbleken in de wildernis.

Speaker A:

Krankzinnig van woede greep mijn vader zijn bijl en hief die boven Wilfreds hoofd om te slaan.

Speaker A:

Dit alles zweer ik, vervolgde de jager spottend.

Speaker A:

De pijl kwam neer, maar ging dwars door de gestalten van de jager heen.

Speaker A:

Mijn vader verloor zijn evenwicht en viel met een slag op de grond.

Speaker A:

Sterveling, zei de jager, die over mijn vaders lichaam heenliep.

Speaker A:

Wij hebben slechts macht over hen die een moord begaan.

Speaker A:

Je bent schuldig geweest aan dubbele moord.

Speaker A:

Je zult de boete betalen die verbonden was aan je huwelijksgelofte.

Speaker A:

Twee van je kinderen zijn gestorven.

Speaker A:

Het derde moet nog volgen.

Speaker A:

En zal hen volgen, want je eet staat neergeschreven.

Speaker A:

Ga heen.

Speaker A:

Het zou louter goedheid zijn om je te doden.

Speaker A:

Je straf is te blijven leven.

Speaker A:

en met deze woorden verdween de geest.

Speaker A:

Mijn vader stond op, omhelste mij teder en knielde neer in gebed.

Speaker A:

De volgende ochtend verliet hij het huisje voorgoed.

Speaker A:

Hij nam hem mee en ging naar Holland, waar wij veilig aankwamen.

Speaker A:

Hij had wat geld bij zich, maar hij was nog niet lang in Amsterdam of hij kreeg hersenkoorsts en stierf in een aanval van razernij.

Speaker A:

Ik kwam in een weeshuis en daarna stuurde zij mij naar zee.

Speaker A:

Je kent mijn geschiedenis.

Speaker A:

De kwestie is nu, zal ik nog moeten boeten voor mijn vaders eet?

Speaker A:

Zelf ben ik er heilig van overtuigd dat dit op de een of andere wijze zal gebeuren.

Speaker A:

Op de 22ste dag was het hoogland van Zuid-Sumatra in zicht.

Speaker A:

Daar er geen schepen te zien waren, besloten zij door de straatste koersen naar Pulu Penang, dat zij in zeven of acht dagen dachten te bereiken, daar hun boot voor de wind voer.

Speaker A:

Doordat zij voortdurend aan het zonlicht waren blootgesteld, waren Philip en Krans nu zo gebruind, dat zij gemakkelijk voor inboorlingen hadden kunnen doorgaan met hun lange baarden en oosterse kleding.

Speaker A:

Zij voeren al die dagen onder een brandende zon en sliepen in de kille atmosfeer van de nacht.

Speaker A:

Maar hun gezondheid leed er niet onder.

Speaker A:

Verscheidene dagen nadat hij zijn familiegeschiedenis aan Philip had toevertrouwd, bleef Kranz zwijgzaam en troefgeestig gestemd.

Speaker A:

Zijn gewone opgewektheid was geheel verdwenen en Philip had hem dikwijls naar de oorzaak daarvan gevraagd.

Speaker A:

Toen zij de Straits binnenvoeren, vroeg Philip wat zij zouden doen bij hun aankomst te Goa.

Speaker A:

Krant antwoordde ernstig.

Speaker A:

Ik heb al enige dagen zo'n voorgevoel, Philip, dat ik die stad nooit zal zien.

Speaker A:

Je voelt je zeker niet goed, Krans, antwoordde Philip.

Speaker A:

Nee, ik voel me best naar lichaam en geest.

Speaker A:

Ik heb geprobeerd het voorgevoel van me af te zetten, maar tevergeefs.

Speaker A:

Een waarschuwende stem zegt me voortdurend dat ik niet lang meer bij je zal zijn.

Speaker A:

Zou je iets voor me willen doen, Philip?

Speaker A:

Ik heb nog goud bij mij dat voor jou van nut kan zijn.

Speaker A:

Neem jij het als je wilt.

Speaker A:

Bij jou is het veilig.

Speaker A:

Wat een onzin, Krans.

Speaker A:

Dat is geen onzin, Philip.

Speaker A:

Heb jij nooit een voorgevoel gehad?

Speaker A:

Waarom ik dan niet?

Speaker A:

Je weet dat ik niet bang ben en dat de dood mij onverschillig laat, maar het voorgevoel waarover ik spreek, voel ik ieder uur sterker.

Speaker A:

Je voelt je niet goed en daarom verbeeld jij je dit krans.

Speaker A:

Er is geen reden voor dat jij, gezond en krachtig, niet rustig zou voortleven tot op hoge leeftijd.

Speaker A:

Morgen zul jij je beter voelen.

Speaker A:

Misschien, antwoordde Krans.

Speaker A:

Maar jij moet toch aan mijn grill toegeven en het goud meenemen.

Speaker A:

Als ik me vergis en we komen veilig aan, dan kun je het me teruggeven, Philip, zei Krans, met een flauwe glimlach.

Speaker A:

Maar je vergeet dat we haast geen water meer hebben en we moeten een beekje aan wal zoeken om nieuwe voorraad te krijgen.

Speaker A:

Daar dacht ik ook aan toen je dit onverkwikkelijke onderwerp aanroerde.

Speaker A:

We zullen maar, voordat het donker wordt, naar water uitkijken en zodra we onze kruiken hebben gevuld, varen we weer verder.

Speaker A:

Toen dit gesprek plaats had, waren ze aan de oostkant van de Straits, ongeveer veertig mijl naar het noorden.

Speaker A:

Meer naar het binnenland was de kust rotsig en bergachtig.

Speaker A:

maar bij het strand vlak en afwisselend bos en wildernis.

Speaker A:

Zij voeren tot dicht bij de mond van de beek en streken de zeilen, totdat zij zo dichtbij waren gekomen dat zij er zeker van waren dat het water fris was.

Speaker A:

De kruiken waren spoedig gevuld en zij dachten erover weer af te varen.

Speaker A:

Maar, verlokt door de schoonheid van de plek en de koelte van het frisse water, en vermoeid door het lange stilzitten aan boord, besloten zij te gaan zwemmen, een weelde die niet op de juiste waarde geschat kan worden door hen die niet in dezelfde omstandigheden hebben verkeerd.

Speaker A:

Zij deden hun kleren uit en storten zich in de stroom, en zwommen daar enige tijd rond.

Speaker A:

Krans kwam er het eerst uit.

Speaker A:

Hij klaagde erover dat hij zich rillerig voelde en liep naar de oever waar zij hun kleren hadden neergelegd.

Speaker A:

Philip naderde ook het strand, vastbesloten hem te volgen.

Speaker A:

En dit is een goede gelegenheid, Philip, zei Krans, om je het geld te geven.

Speaker A:

Ik haal het uit mijn gordel en dan kun jij het in de jouwe doen voor je die aantrekt.

Speaker A:

Philip stond tot ongeveer zijn middel in het water.

Speaker A:

Nu goed aan krans, zei hij, als je erop staat.

Speaker A:

Ik vind het een belachelijk idee, maar jij zult je zin hebben.

Speaker A:

Philip kwam uit het water en ging naast krans zitten die de goudstukken reeds uit de plooien van zijn gordel schudde.

Speaker A:

Eindelijk, zei hij, Ik geloof dat je ze nu allemaal hebt, Philip.

Speaker A:

Dat geeft me een voldaan gevoel.

Speaker A:

Ik begrijp niet wat voor gevaar er voor jou kan zijn, waaraan ook ik niet ben blootgesteld," antwoordde Philip.

Speaker A:

Maar nauwelijks had hij dit gezegd of hij hoorde een ontzettend gebrul.

Speaker A:

Een hevige windstoot wierp hem neer.

Speaker A:

Een luide kreet.

Speaker A:

Een geel, Philip krabbelde overeind en zag hoe het naakte lichaam van Kranz bliksemsnel door een enorme tijger de wildernis in werd gesleurd.

Speaker A:

Hij keek met wijd open ogen.

Speaker A:

In een paar seconden tijd waren Kranz en het dier verdwenen.

Speaker A:

God in de hemel, had jij mij dit maar bespaard, riep Philip uit en wierp zich in grote smart op de grond.

Speaker A:

O Krans, mijn vriend, mijn broer, dat voorgevoel was maar al te waar.

Speaker A:

Genadige God het medelijden, uw wil geschieden.

Speaker A:

En Philip barste in tranen uit.

Speaker A:

Meer dan een uur bleef hij op die plek onverschillig voor het gevaar dat hem omringde.

Speaker A:

Eindelijk herstelde hij zich en stond op.

Speaker A:

kleedde zich aan en ging weer zitten, starend naar de kleren van krans en het goud dat nog op de grond lag.

Speaker A:

Hij wilde mij het goud geven.

Speaker A:

Hij voorspelde zijn noodlot.

Speaker A:

Ja, het was zijn noodlot, en het is in vervulling gegaan.

Speaker A:

Zijn benen zullen verbleken in de wildernis, en de jager en zijn dochter de wolvin zijn gevroken.

Speaker A:

U luisterde naar de witte wolf van het Harschgebergte van Frederick Marriott.

Speaker A:

De ochtend nadert.

Speaker A:

Het Mitternachtarchief sluit haar deuren.

Speaker A:

Voor meer informatie over deze podcast en over mijn macabere thrillers verwijs ik u graag door naar krvalgaren.com.

Speaker A:

Vergeet niet u op deze podcast te abonneren en laat gerust van u horen.

Speaker A:

Misschien heeft u zelfs een suggestie of een verhaal dat u horen wil.

Speaker A:

Dat kan allemaal.

Speaker A:

Ik ben K.R.

Speaker A:

Valgaren.

Speaker A:

Bedankt voor het luisteren en tot de volgende maand voor een nieuw bezoek aan het Middernachtarchief.

Chapters

Video

More from YouTube